Bron: www.trouw.nl / Kees de Vré (2011)

Dagelijks hamert Wakker Dier weer in reclameblokken op de consequenties van de almaar toenemende vleesconsumptie. Het produceren van vlees van koeien en varkens is nogal milieubelastend. Een stuk vervuilender dan het verkeer, zo bleek uit een geruchtmakende studie van de Verenigde Naties uit 2006.

Wageningse onderzoekers hebben nu ontdekt dat insecten per kilo geproduceerd vlees veel minder broeikasgassen uitstoten dan koeien en varkens. Het onderzoek, dat vorige week werd gepubliceerd in het wetenschappelijke online-tijdschrift PLoS ONE, stelt dat insectenvlees dus een milieuvriendelijk alternatief kan bieden voor het vlees dat nu in de supermarkten ligt, of bij slagers te koop is.

Voor het eerst is dat in cijfers uitgedrukt. Het gaat daarbij om methaan (CH4) en lachgas (N2O), want ook insecten laten scheten en zij zijn weliswaar erg klein maar wel met vele miljarden. Insecten groeien sneller dan varkens en zijn natuurlijk minder zwaar, maar bij een eerlijke vergelijking per kilogram groei, produceert een varken tien tot honderd keer zo veel broeikasgassen als bijvoorbeeld een meelworm. Daarbij zijn de botten niet meegerekend, stelt Dennis Oonincx, een van de onderzoekers. „Een meelworm heeft geen botten. Zo blijft de vergelijking zuiver.”

Ook de uitstoot van ammoniak blijkt aanzienlijk lager te zijn bij insecten. Ammoniak veroorzaakt verzuring van grondwater en te hoge concentraties voedingsstoffen erin. Gerekend naar één kilo vlees, stoot een varken acht tot twaalf keer zoveel ammoniak uit als er vrijkomt bij de kweek van een kilo krekelvlees en de uitstoot is tot wel vijftig keer zoveel als die van sprinkhanen per kilo toegenomen gewicht. Bijkomend voordeel van insecten boven zoogdieren is dat ze hun voedsel sneller omzetten in vlees, waardoor minder plantaardig materiaal en ook water nodig is om ze te kweken.

Hoewel dit onderzoek volgens Oonincx aantoont dat eiwitten afkomstig van insecten een milieuvriendelijk alternatief zijn voor eiwitten uit varkens- en rundvlees, is verder onderzoek nodig, vindt hij. Daarbij moet dan de hele keten worden bekeken, omdat zich niet alleen in de productiefase milieuvervuilende activiteiten voordoen. Ook transport, opslag en distributie geven vervuiling, en niet te vergeten de laatste schakel, de consument.

Daarvóór moet misschien eerst de vraag worden gesteld of de consument wel insecten wil eten. Voor West-Europeanen zou dat een hele verandering betekenen, want dat zijn de watjes van de wereldkeuken. Koe, kip, varken en soms een stukje wild komt hier nog wel op tafel. Maar van al het andere dat op twee of vier poten rondloopt, -kruipt of – vliegt krijgen wij de koude rillingen. Een groot deel van de wereld heeft minder moeite met rat, kat, aap, tor, worm, sprinkhaan, spin of slang.

Toch eten we wel insecten, of delen ervan, zonder dat we dat weten. De kleurstof rood in samengestelde fabrieksproducten (E 120) wordt verkregen door een bepaalde insectensoort te vermalen. Ook in bepaalde groenten en paddestoelen wordt een minieme hoeveelheid insecten geaccepteerd door de keuringsautoriteiten, omdat het ondoenlijk is alle resten van die beestjes te verwijderen.

Voormalig minister Gerda Verburg van landbouw liet in 2009 in haar Nota Duurzaam Voedsel al doorschemeren dat we, om redenen van duurzaamheid, wel eens aan insecten zouden moeten geloven. Zij maakte geld vrij voor onderzoek, zoals dat van de Wageningers. Bij het wereldkundig maken van haar nota stonden insecten op het buffet om eens te proberen. De beestjes vonden weinig aftrek en ook Verburg kwam niet verder dan het alleen maar vasthouden van een sprinkhaan.

Wellicht dat de opkomst van China nog een handje kan helpen. Het land staat op het punt om wereldmacht nummer 1 te worden, waarmee wellicht ook hun keuken een mondiale rol zal gaan spelen. Of de loempia de hamburger achterna gaat is de vraag; wel zal het menu dan aanzienlijk kunnen worden uitgebreid. Chinezen eten namelijk bijna alles, inclusief insecten.